Tips voor trainers

TIPS VOOR TRAINERS

 

Schot uit stand

Doel
Aanleren verbeteren van het schot uit stand.

De fase voor het aanleren zal zeker 2-3 maanden omvatten, waarbij de trainer scherp moet toezien op de uitvoering. Het vervolg (sneller, verder schieten) zal de jaren daarna continu en veel aandacht moeten krijgen. Bij de overgang van een korf op 3 meter hoogte naar een korf van 3,5 meter zal opnieuw goed ondersteund moeten worden.

Aandachtspunten
In volgorde:
• Handenstand, driehoek duimen en wijsvingers, vingers gespreid over de bal, duimen achter/onder de bal
• Bal voor de neus
• Voeten licht gespreid en parallel
• Licht inveren (bal blijft voor de neus)
• Strekken van lichaam, waarbij met name strekking van armen belangrijk is (indien nodig springen)
• Nawijzen van de bal

Organisatie:
Tweetal bij een korf, nr. 1 is schutter, nr. 2 vangt af. Wisselen per 5/6 schoten. Het is mogelijk spelers van beide kanten van de korf te laten schieten. Er kunnen meerdere tweetallen bij een korf staan.

Variatie:
Gegeven is dat de spelers de techniek beheersen, maar nog veel moeten oefenen. Hieronder wordt een hele reeks van oefeningen gegeven waarmee het schot uit stand geoefend wordt. Allereerst worden algemene punten genoemd waarmee een oefening gevarieerd kan worden.

  1. Het aantal spelers met een bal.
    2. De afstand van waar geschoten kan worden.
    3. De zijde van de korf waar vandaan kan worden geschoten.
    4. Het tempo waarmee geschoten moet worden.
    5. De weerstand die gegeven wordt door een tegenstander.
    6. Er kan met een tijdsdruk gewerkt worden.
    7. Het veranderen van de loop- en/of balweg in de oefening.
    8. Het veranderen van de lengte van de loop- en/of balweg.
    9. Een zodanige oefening dat de speler moet kiezen welke schotvorm hij gaat gebruiken. Schot uit stand is één van de opties.

Onder het kopje ‘schotspelletjes’ wordt een reeks van oefeningen gegeven waarbij het vooral gaat om scoren. Wie maakt het eerst of snelst een X-aantal doelpunten.

Hier wordt slechts een deel van de schotspelletjes genoemd. Andere vormen zijn te vinden bij hoofdstuk 2 (de strafworp) en 3.1 (schot uit beweging naar de korf toe, de doorloopbal) en 3.2 (schot uit beweging van de korf af, de uitwijkbal).

Schotspelletjes:
Bij de meeste schotspelletjes is het uitgangspunt: twee spelers met bal en korf (ook zou kunnen dat er 2 tweetallen bij een korf staan). In een enkel geval worden er vormen gegeven waarbij gewerkt wordt met een drietal. Bij alle spelletjes gaat het er om wie het eerste de opdracht heeft uitgevoerd, dan wel de meeste doelpunten heeft gemaakt in een bepaalde tijd. Geteld kan worden per individu of per tweetal.

Binnen de meeste vormen kan al veel gevarieerd worden. Door de verschillende vormen te combineren zijn er wel 100 verschillende mogelijkheden.

  1. Streepjesdoelen
    Een speler begint op bijv. 2 meter, scoort hij dan gaat hij naar 3 meter. Dus na elk doelpunt een meter verder.

Variaties:
• met tijdsfactor, hoe ver kun je komen?
• als je twee keer mist dan één streepje terug.
• van verschillende kanten van de korf.

Een bijzondere variatie hierop is: 2 tweetallen (A’s en B’s) staan bij een korf. A1 en B1 gaan schieten (op teken beginnen). Bij een score van speler A1 gaat hij een stap verder van de korf, speler B1 gaat één dichter naar de korf. Scoort B1 nu, dan staan ze weer gelijk. Wie heeft het eerst 3 stappen?

  1. Kampioenen
    De spelers staan in een rij (achter elkaar dus!). Ze staan achter een streep op 4/5 meter. Nr. 1 en nr. 2 hebben een bal en staan dus ook achter elkaar. Nr. 1 schiet, scoort hij dan gaat de bal naar de volgende in de rij (nr. 3 dus). Schiet hij mis, dan vangt hij zelf de bal op en doet een nieuwe poging vanaf de plek waar hij de bal gevangen heeft.

Nr. 2 begint meteen te schieten zodra 1 heeft geschoten. Hetzelfde geldt als bij 1. Maar ….. scoort 2 eerder dan 1, dan is 1 eruit. Uiteindelijk blijft er één speler over en dat is de kampioen!! (Anders gezegd: je probeert je voorganger er uit te schieten!!).

Attentie: spelers hebben soms even tijd nodig om de spelregels juist toe te passen. Is alles duidelijk, dan is een variatie om zelfs een derde bal te gebruiken!!

  1. Wegschieten
    2 tweetallen bij een korf. (A en B zijn de schutters) Scoort A, dan moet er bij de andere tweetallen van schutter worden gewisseld. Schutter A blijft staan en heeft de kans (door tijdsvoorsprong) meteen weer te scoren en daardoor de anderen alleen maar op en neer te laten lopen.

Een variatie is: scoort B bij het eerstvolgende schot, dan mag de speler blijven staan.

 

 

Een vergelijkbare vorm waarbij gewerkt wordt met drietallen:

  • A en B schieten, C vangt af. Situatie: A schiet en scoort, B mist eerstvolgende schot. A heeft een punt, B en C wisselen. Situatie: A scoort, B scoort daarna, A schiet en mist. Nu heeft B een punt en A en C wisselen.
    • variëren op afstand
    • extra variatie is dat als een speler de bal niet minstens op de korf schiet, de speler meteen wisselt met de vang.
  1. Snelscoren
    Tweetal verdelen in 1 en 2. De nrs. 1 schieten op teken van een bepaalde afstand. Wordt er gescoord dan heeft die speler gewonnen.

Variaties:
• afstanden wisselen
• aantal doelpunten
• een doelpunt (bijv. een schot van 3 meter) telt alleen als er meteen daarop een doorloopbal gemaakt wordt.

  1. Aanvallen – verdedigen
    De aanvaller probeert een doelpunt te maken (met een derde speler die aangeeft).

    Variaties:
    • binnen een bepaalde tijd (bijv. 15 seconden)
    • binnen een bepaald aantal malen balcontact
    • er mag alleen gescoord worden d.m.v. een schot (of doorloopbal, maar dan moet de verdediger wel de opdracht meekrijgen om ‘goed’ te verdedigen)
    • tegen elke speler één van de vormen uitvoeren.

  2. Plussen en minnen
    Er moet een X-aantal doelpunten worden gemaakt. Een score is +1, een misser is -1.

Variaties:
• aantal doelpunten wat je moet halen veranderen
• de waardering voor een soort doelpunt variëren, bijv. een schot van 4 meter is +3, een dooploopbal 1, een schot van 2 meter is 2 punten. Wie heeft het eerst 10 punten, de speler kan dus kiezen welk soort schot hij neemt.
• het aantal missers voor een aftrek aanpassen.

  1. Tienen (of elven)
    Twee korven tegenover elkaar. Bij elke korf een tweetal. Welk tweetal heeft er het eerst tien samen gemaakt. Speciale regels kunnen zijn: altijd een verschil van 2 doelpunten, altijd een ‘naschot’.

Een variatie is dat het tweetal bij de korf een vangduel aangaat. Degene die het duel wint mag schieten. Wie van de vier heeft het eerst 4 goals?

Vervolg:
Van grotere afstand schieten (denk aan het voorkomen van naar voren springen!). Pionnen, lijnen in de zaal, hoepels kunnen als hulpmiddelen gebruikt worden.

  1. Sneller schieten: aangeef gooit naar schutter die handen klaar houdt ‘voor de neus’. Bal goed in handen gooien en meteen beweging inzetten.
    2. Speler beweegt rond de korf of loopt er voor op en neer. Aangooien, speler gaat staan en schiet.
    3. Schutter staat klaar. Bal wordt aangegooid door nr. 2. Een derde speler (die op zekere afstand van de schutter staat) loopt naar de schutter op het moment van gooien en probeert te verdedigen.
    4. Speler beweegt voor de korf op en neer met een verdediger op zekere afstand. Aangeef gooit bal, waarna verdediger mag proberen te verdedigen.
    5. Alle bovenstaande oefeningen kunnen onderling gecombineerd worden. Van verschillende posities rondom de korf, van verschillende afstanden, de ‘druk’ van de verdediger vergroten door dichterbij te beginnen.
    6. Kunnen de spelers een doorloopbal uitvoeren, dan kan de aanvaller ook de keus worden gegeven om een doorloopbal te nemen als de verdediger te dichtbij komt of te hard inloopt. De speler kan ook de mogelijkheid krijgen nog een keer samen te gaan spelen met de aangeef.
    7. In overtal situatie bijv.: 4 aanvallers, 2 verdedigers. De 4 aanvallers staan in een ruimte rondom de korf (niet te groot!!, maar ook zeker niet te klein), spelen samen en schieten als ze vrij staan. De 2 verdedigers moeten altijd het schot proberen te voorkomen.
    8. Idem als 8, maar nu met 3 verdedigers. Let op dat de ruimte past bij wat de spelers kunnen!!

Tip voor de coach:
De eerste fase van aanleren gaat snel. Kinderen komen in 3-4 trainingen tot een goede uitvoering (in rust oefenen). Het duurt echter zeker nog een 4-5 maanden alvorens de techniek echt eigen is aan het kind. De trainer moet dan ook zeer scherp blijven letten op de uitvoering. In combinatie met snel schieten en van grotere afstand schieten duurt het wel twee seizoenen!

  1. Doe niet alle aandachtspunten in één keer, maar beperk het aantal. Bij het aanleren kun je er steeds één/twee toevoegen.
    2. Als hulpmiddel bij het aanleren van de handenstand: heeft het kind de bal goed in de handen, geef dan met een viltstift de vingers op de bal aan. Kinderen kunnen dan zelf de handen ‘goed’ neerzetten op de bal.
    3. Als kinderen nog moeite hebben met de hoogte, de hoogte van de korf aanpassen (schuifpaal!!)
    4. Als kinderen niet voldoende nawijzen: na het schot naar de mand wijzen en tot drie tellen (of uitdrukking: sta als een standbeeld na het schot).
    5. Het doel van de schotspelletjes is dat de spelers beter leren scoren in een situatie waarbij een zekere mate van druk aanwezig is. Hier is echter meteen een waarschuwing op zijn plaats: de meeste van de vormen waarin de spelletjes zijn gegoten lijken niet op wedstrijdsituaties. In bijna alle vormen schieten de spelers niet onder druk van een verdediger. In de spelletjes is de passing naar de aanvaller makkelijker, er is meer tijd om te ‘mikken’ (ook al speelt de tijdsfactor een rol). De vormen zijn dus niet vergelijkbaar met wedstrijddruk. Het is daarom aan te bevelen om in de training ook altijd ‘echte’ wedstrijdsituaties na te bootsen en daar ‘schotspelletjes’ in te verwerken.
    6. Zijn de spelers in de fase van het aanleren van het schot, pas dan op met de spelletjes. Het gaat de kinderen dan natuurlijk om het winnen. Daardoor kan de kwaliteit en aandacht voor de uitvoering verminderen. Kies dan voor spelletjes als: hoeveel scoren uit een X-aantal pogingen.

Spelregels:
Een doelpoging is pas afdoende verdedigd als de hinderende tegenstander aan vier voorwaarden voldoet:

  1. Hij is met zijn lichaam (romp) dichter bij de paal dan de aanvaller.
    2. Hij is binnen armlengte van de aanvaller, m.a.w. hij is in staat de borst van de aanvaller aan te raken.
    3. Hij is met het gezicht naar hem toegekeerd.
    4. Hij moet daadwerkelijk trachten te bal te blokkeren (actief meegaan met de doelpoging).
    Staat de paal tussen aanvaller en verdediger in, dan geldt regel 1 niet, maar wel 2, 3, 4.

In alle gevallen waaraan de verdediger niet aan bovenstaande vier voorwaarden voldoet, is er sprake van hinderen en niet van verdedigen. Het is dus geen kwestie van of, maar van en, en …..

Als een aanvaller zich in verdedigde positie bevindt, vervolgens achteruit stapt of springt en een doelpoging onderneemt en de verdediger volgt actief de beweging, dan wordt de verdedigende positie niet opgeheven en moet de doelpoging als verdedigd worden beschouwd.

Het aanraken van de bal, na een doelpoging, wordt niet perse als verdedigd beschouwd. Dit kan bijvoorbeeld optreden bij een lange verdediger en een kleine aanvaller. Bepalend is slechts of de verdediger zich binnen armlengte van de aanvaller bevindt op het moment van schieten.

 

 

Houding

Doel
Het aanleren en verbeteren van de techniek van het 1 tegen 1 verdedigen.

Aandachtspunten
Hoewel de techniek altijd in zijn geheel wordt toegepast, kan de aandacht van de trainer gericht zijn op een onderdeel van de techniek. Welk onderdeel is afhankelijk van de fase van de ontwikkeling van de speler, maar ook de ontwikkeling van de tegenstanders!

Allereerst worden de vier onderdelen genoemd, elk onderdeel wordt apart uitgewerkt.

De onderdelen zijn:
a. houding
b. het ‘bewegen’
c. voetenstand
d. armgebruik.

  1. houding
    Vanuit een rechtopstaande positie, met de voeten gespreid (voetenstand komt in ‘c’ aan de orde), zakt de speler iets door de knieën. Er is ook een lichte buiging in de heupen. Het bovenlichaam helt daardoor iets naar voren. Het zwaartepunt van het lichaam is gelegen ‘tussen’ de voeten. Op deze wijze kan de verdediger het beste zijn balans bewaren. De afstand tussen de aanvaller en de verdediger is net iets meer dan ‘armlengte’.

Voor de trainer zijn de aandachtspunten: zwaartepunt blijft ‘tussen de voeten’, bovenlichaam licht gebogen.

Veel voorkomende fouten zijn:
• Bovenlichaam te stram rechtop
• Het bovenlichaam teveel voorovergebogen, waardoor het zwaartepunt teveel op de voorste voet komt. Hierdoor heeft de verdediger problemen om weer snel te kunnen starten en krijgt problemen bij richtingsveranderingen, omdat het bovenlichaam de ‘hele’ draai moet maken.

Organisatie:
Uitgangspunt is het werken in de complete uitvoering. Het 1-1 verdedigen kan alleen geoefend worden met een tegenstander. En zorg ook altijd dat er een korf bij staat. Het is voor de verdediger belangrijk dit oriëntatiepunt aan te kunnen houden (ook al ziet hij die niet!!).

Dus: een korf met daarbij een aangeef. Daarbuiten loopt een aanvaller met een verdediger.

De aanvaller krijgt de opdracht om ‘langzaam’ te bewegen, zodanig dat de verdediger ‘schuivend’ kan volgen. De oefeningen voor de houding zijn te combineren met die van het ‘bewegen’. De aanvaller wordt regelmatig aangespeeld om te schieten. Wanneer de aanvaller de bal heeft, gaat de verdediger dichterbij staan, zodat een eventueel schot kan worden verdedigd. Bij een schot strekt de verdediger zijn lichaam en zijn arm. De aanvaller mag schieten, dit laat de verdediger toe.

Variatie:
Probeer zo snel mogelijk in wedstrijdsituaties te trainen. Waarbij gecoacht wordt op de houding.

  1. Met vijftal, twee hoofdaanvallers met verdedigers en een steunende speler. De verdedigers zullen hun houding aan moeten passen aan de positie van de aanvaller. Als er schotdreiging is dan dichterbij verdedigen en rechtop, is er een doorbraakdreiging dan meer door de knieën zakken en iets afstand nemen.
    2. Partij vormen, dit kan 3-3 zijn of 4-4.

Vervolg:
Vervolg oefeningen zijn vooral gelegen in het verhogen van de druk van de aanvaller door te werken in een hoger tempo, met meer richtingsveranderingen van de aanvaller.

Tip voor de coach:
1. Dit facet van het 1-1 verdedigen komt vaak aan de orde bij de C-jeugd. Zeker in combinatie met het inlopen naar een tegenstander bij een uitwijkbal.
2. De oefeningen zijn bijna niet los te zien van het tweede aspect van verdedigen en dan vooral als het tempo laag is, namelijk het schuiven.
3. Het 1-1 verdedigen is een ‘isolatie’ uit het geheel van ‘voorkomen van’ en zal in de praktijk van de wedstrijd altijd bekeken moeten worden in relatie tot het geheel van aanvallen en verdedigen!!
4. Bij het trainen van het 1-1 verdedigen aan spelers is het uitgangspunt het aanbieden van het geheel van de techniek. In de praktijk zal dan blijken dat een speler een bepaald element niet of niet voldoende beheerst. Biedt dan passende oefenstof aan. Dus begin niet te snel met de elementen, maar kijk welk element ter verbetering aangeboden moet worden. Per speler kan dus iets anders getraind moeten worden.
5. Aanwijzingen altijd één voor één geven, dan kunnen de kinderen zich gericht concentreren op de correctie (bij oudere kinderen kunnen er meer aanwijzingen tegelijk gegeven worden, maar nooit meer dan 2 of 3). Aanwijzingen dienen altijd te worden herhaald, binnen de training, een week later etc. net zo lang totdat het goed gaat.

Spelregels:
Basisregel is: Een verdediger mag de aanvaller niet belemmeren in het vrije gebruik van zijn lichaam; het opzettelijk of per ongeluk belemmeren is niet van belang, allebei leidt tot een overtreding!

  1. Een verdediger mag niet met gespreide armen of benen verdedigen. Hij dwingt daarbij de aanvaller tot het maken van een omweg of houdt letterlijk tegen. De aanvaller wordt in het creëren van doelkansen belemmerd.
    2. Een verdediger mag niet plotseling in de baan van de aanvaller gaan staan zodat een botsing onvermijdelijk wordt.

 

 

Van lummelen naar monokorfbal

Gooien en vangen

Doel
Het gooien en vangen aanleren, rekening houdend met de tegenstander.

Aandachtspunten
Gooien met de tweehandige borstpass waarbij de bal vastgehouden wordt op de vingers. De vingers zijn gespreid aan de zijkant van de bal, de duimen achter de bal. Bij het vangen reiken beide handen naar de bal, waarbij de handenstand hetzelfde is als bij het gooien. De bal wordt afgeremd doordat de bal naar de borst getrokken wordt.

Organisatie:
Er wordt gespeeld in één vak met aan de kopse kanten een eindvak, de grootte is afhankelijk van het aantal spelers. In het eindvak staat een korf. De partij die de bal in het eindvak van de tegenstander vangt, mogen allemaal één strafworp nemen. De gemaakte strafworpen leveren punten op. De bal wordt weer uitgenomen op de lijn van het eindvak. Er wordt gespeeld met een overtal, bijv. 4 tegen 3, waarbij één speler (de kameleon) altijd bij de balbezittende partij behoort.

Variatie:
1. Er wordt gegooid met de strekworp, de gooiarm wordt bijna gestrekt achter het hoofd gehouden waarbij het lichaam indraait. Als er rechts gegooid wordt staat het linkerbeen voor. Wanneer er gegooid wordt draait het lichaam mee, de bal wordt nagewezen. De bal gaat langs het oor.
2. Als de bal in het eindvak komt, mogen de spelers:
een doorloopbal nemen of
een uitwijkbal nemen of
een afstandschot
3. Het eindvak wordt gesplitst in twee kleinere vakken in de hoeken van het veld waarbij het middelste gedeelte van het eindvak bij het speelveld gaat horen. In elk eindvak een paal voor de scorende opdracht.

Vervolg:
Niet meer met een overtal spelen maar met een gelijk aantal.

  1. De aanvallende partij mag in beide eindvakken vangen. Wanneer een speler de bal in het eindvak vangt mogen ze doorspelen. Eerst moet de bal over de middellijn worden gespeeld alvorens weer in beide vakken mag worden gescoord.
    2. Leer ze snel aan over grotere afstanden te gooien.

Tip voor de coach:
1. De gooiende speler gooit de bal niet naar de borst van de vanger maar iets naar de buitenkant zodat de verdediger er moeilijk bij kan.
2. De vanger wacht de bal niet af maar stapt op de gegooide bal af met gestrekte armen, dus naar de bal toe, ook dit voorkomt dat de verdediger de bal gemakkelijk onderschept.
3. Zeker in het begin: korte afstanden gooien, maar snel overgaan naar grote afstanden.
4. In het begin zullen ze veel ballen niet precies in de handen gooien. Naast de zuiverheid is het ook belangrijk dat er op de goede manier wordt gegooid, de juiste manier van gooien binnen de situatie.

Spelregels:
Het is niet toegestaan om naar de werparm en bal te slaan, of de werparm te blokkeren. De verdediger mag tijdens het aanraken van de bal op dat moment, zijn arm niet naar de bal toe bewegen. Pas als de bal is losgelaten door de aanvaller mag de verdediger de bal proberen weg te tikken.


Ruimtegebruik

Doel
Het bewust maken van de ruimte binnen het speelveld en hiermee nuttig weten om te gaan.

Aandachtspunten
Het kiezen van een nuttige positie zodat de speler aanspeelbaar is en/of mee kan scoren.

Organisatie:
Binnen het speelveld liggen twee cirkels (vaak liggen er al lijnen in de zaal van bijv. basketbal), de cirkels zijn rondom omspeelbaar (net als de korf). Er kan gescoord worden doordat een speler de bal in de cirkel stuit en een medespeler de bal vangt. Verdere regels zijn gelijk aan die van het korfbal.

Variatie:
1. Er kan ook met één cirkel gespeeld worden, na een onderschepping moet dan het recht van aanval worden gehaald door bijvoorbeeld de bal achter de zijlijn (achterlijn) te spelen. Hierna mag de partij aanvallen.
2. Na een score mag er doorgespeeld worden door de partij die balbezit heeft.

Vervolg:
1. Beide partijen mogen bij beide cirkels scoren, hierdoor kun je de aanval verplaatsen naar de andere cirkel. Dit biedt vele tactische nieuwe mogelijkheden ook qua ruimte gebruik en inzicht.
2. Er kan ook gespeeld worden met bijvoorbeeld 4 cirkels. Wanneer er met meedere cirkels gespeeld wordt kunnen de cirkels ook kleiner zijn, zoals bijvoorbeeld een hoepel of fietsband. Het overzicht wat de spelers hebben wordt steeds belangrijker.

Tip voor de coach:
1. Let op de timing van het gooien en het vrijlopen.
2. De ruimte voor het vrijlopen wordt ook bepaald door de verdedigers (de tegenstanders).
3. Probeer een verband aan te brengen tussen de oefenvormen en spelletjes, bijv. tweehandig gooien werd aangeleerd, het slotspel is jagerbal waarbij je met twee handen moet afgooien.
4. Zorg voor een goede opbouw van de trainingsstof van gemakkelijk naar moeilijker.

Spelregels:
De verdediger mag trachten de bal te blokkeren door de aanvaller uit te lokken om tegen zijn hand te gooien. Hierbij geldt ook dat de arm van de verdediger zich niet in de richting van de aanvaller mag bewegen, maar alleen in de baan van de bal mag worden bewogen. De bal hoeft tijdens het blokkeren dan nog niet te zijn losgelaten door de aanvaller.
Vrijlopen

Doel:
Het leren vrijlopen zodat de speler aanspeelbaar is om aangegooid te worden.

Aandachtspunten
Het moment van vrijlopen is belangrijk, het vrijlopen moet gebeuren op het moment dat de bal ook gegooid kan worden. De schijnbeweging komt in beeld. De schijnbeweging suggereert dat je iets gaat doen waarop de tegenstander gaat reageren, hierna wordt de definitieve beweging uitgevoerd. Er wordt bijvoorbeeld een lichaamsbeweging naar links gemaakt, de verdediger gaat alvast naar links maar de aanvaller maakt de beweging niet af en gaat naar rechts. Het resultaat is dat de aanvaller vrij staat.

Organisatie:
Er wordt gespeeld met viertallen en een korf met een bal. Twee mensen staan ongeveer 6 tot 8 meter van elkaar vandaan, ertussen lopen een aanvaller en een verdediger. De aanvaller moet proberen samen te spelen met de mensen op de vaste plaats. De korf staat even buiten de lijn van de vaste spelers. De bedoeling is dat de aanvaller zoveel mogelijk overspeelt met de vaste spelers binnen een bepaalde tijd. De verdediger moet proberen de bal te onderscheppen.

Variatie:
1. De aanvaller mag nadat hij een aantal keren heeft overgespeeld scoren op de korf
2. De aanvaller krijgt 1 punt als hij kan overspelen en twee punten als hij kan schieten op de korf. Scoort hij ook nog dan krijgt hij een extra punt. Als de verdediger de bal onderschept, wordt er van functie gewisseld.

Vervolg:
1. Er staan twee korven met een steunende speler eronder met bal. Tussen de korven lopen een aanvaller en een verdediger. De aanvaller mag scoren op beide korven.
2. Een steunende speler staat op ongeveer 6 tot 8 meter voor de korf. Een aanvaller en een verdediger staan tussen de korf en de steunende speler. De verdediger probeert alleen de bal te onderscheppen. De aanvaller probeert zo vrij te lopen dat hij aangespeeld kan worden. Lukt dat dan mag hij vrij scoren op de korf. Het is dus belangrijk om dicht bij de korf vrij te komen.

Tip voor de coach:
1. Probeer altijd een roulatieschema te maken zodat de winnende of scorende spelers worden beloond. Maar ook de zwakkere broeders moeten kunnen oefenen.
2. Houdt het aantrekkelijk door verschillende vormen aan te bieden die kans geven op scoren of winnen, er moet een wedstrijdelement in zitten. Dan blijft het spannend.
3. Probeer spelers van hetzelfde niveau bij elkaar te zetten. Eerlijke competitie.
4. Het is ook belangrijk dat kinderen succesbeleving hebben, dit betekent dat ze het gevoel hebben dat ze iets (goed) kunnen. Als altijd alles mislukt dan is het niet leuk.

 

 

Hinderen van de ballijnen

Doel
Het hinderen van de ballijnen bij zowel de gooier als de vanger. Met als uiteindelijke doel het onderscheppen van de bal.

Aandachtspunten
Opstelling van de verdedigers en het moment van hinderen of onderscheppen.

Organisatie:
Binnen een partijvorm van 4 tegen 4 wordt de aanvaller gehinderd doordat de verdediger de gooiarm van de aanvaller afschermt. Dit gebeurt in eerste instantie bij die aanvallers die niet in een steunende positie staan. Het afschermen door de verdediger gebeurt door de bal zo lang mogelijk te volgen en de gooirichting af te schermen. De trainer is hier coachend aanwezig.

Variatie:
1. De ontvanger van de pass kan ook gehinderd worden doordat de verdediger op dusdanige wijze positie kiest dat hij de aanvaller en de aankomende bal ziet. Er is sprake van een driehoeksopstelling. Wanneer de bal gegooid wordt probeert de verdediger deze te onderscheppen.
2. Alle oefenvormen waarbij aanvallers en verdedigers spelen kunnen gebruikt worden. Denk aan lummelen en monokorfbal. Het kan in een 4 tegen 4 situatie gespeeld worden maar ook in een 2 tegen 2 situatie.

Vervolg:
1. Wanneer de verdediger niet dicht bij de gooier staat maar meer positie kiest bij de vanger kan voorkomen worden dat de gooier een pass kan geven en zal de gooier gedwongen worden naar een andere aanvaller te passen. Hierdoor wordt de aanvalsopzet ook gehinderd.
2. Indien de gooier en de gewenste vanger gehinderd worden, doordat de ballijnen worden afgeschermd, kan voorkomen worden dat bijvoorbeeld een hoofdaanvaller veel ballen krijgt. De pass naar de hoofdaanvaller kan dan onder druk worden gezet.
3. Ook een diagonaal kan onder druk worden gezet doordat de verdediger roept waar de bal naar toe gaat, bijvoorbeeld: ‘voorin’. De verdediger die voorin staat kan nu proberen de lange bal te onderscheppen. De communicatie wordt nu erg belangrijk.
4. Wanneer de aanvalsopzet van de tegenstander vaak dezelfde vorm heeft kan de verdediger hierop inspelen. Regelmatig wordt dezelfde speler dan op een bepaalde positie aangespeeld. Wanneer de verdediger dit weet kan hij hierop inspelen door de laatste pass onder druk te zetten of te onderscheppen. Dit is afhankelijk van het spelpatroon van de aanval.

Tip voor de coach:
1. Laat de spelers eerst wennen aan de driehoeksopstelling zodat ze de bal kunnen volgen, als ze dit zien mogen ze risico nemen om de bal te onderscheppen.
2. De aanvallende partij weet wat er gebeurt binnen de training en zal hierop ook moeten reageren. Een effectieve methode is dreiging naar binnen te houden in combinatie met de schijnworp. De gooier doet net of hij een pass geeft maar de vanger loopt snel naar de korf en krijgt daar de pass voor een doorloopbal of korte kans.

Spelregels:
Bij het gooien van de bal mag een speler een tegenstander van een andere sekse niet hinderen, m.a.w. hij/zij mag zich niet binnen een hinderende afstand opstellen en zo het gooien van de bal belemmeren. Vuistregel is: binnen armlengte afstand is actief hinderen.

Daarnaast geldt weer dat het vrije gebruik van het lichaam niet in gevaar komt. Te denken valt het blokkeren van de werparm, het naar voren bewegen van een arm van de verdediger ten tijde van het gooien door een aanvaller, het slaan naar de bal terwijl deze nog niet de hand van de werper heeft verlaten.